Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vervoerd te worden en gekneusd en gemaakt tot konflturen, most en wijn. Dit was de derde gang. Nog drie keer moesten ze gaan, zoodat ze zelfs geen tijd hadden om halfweg te rusten. Oom Jannis was nu een oude man, maar Grauwtje was nog ouder. Grauwtje had niet meer zijn vroegere lenigheid!

„Loopen, ongeluksbeest," zei Oom Jannis met schorre stem, „loopen, we moeten nog driemaal. En dan krijg je vanavond een meloenschil in je eten. Kom, vooruit, ellendig dier!"

Grauwtje trachtte harder te loopen, maar zijn pooten beefden, zijn ooren hingen naar beneden en bij liet een klagend geluid hooren. Terwijl hij dat doet, staat hij stil, zijn knieën buigen door, bij valt neer met zijn witten buik in de zon, zijn pooten in de lucht, de manden met de druiven achter hem.

Oom Jannis liep bevend op hem toe; 't was de eerste keer dat Grauwtje zoo iets deed. Hij begon met den riem van 't zadel los te maken die te veel drukte op den buik van Grauwtje, en zijn adem belemmerde. Hij sneed den riem door met zijn mes, schoof 't zadel zoo veel mogelijk op zij, grijpt den halster en trekt om Grauwtje op te helpen.

„Kom ouwe jongen, sta op, stumper, we moeten nog drie keer gaan. Sta op, dan krijg je vanavond gerst. Dat heb je verdiend, arm dier. Sta op, Grauwtje!"

Maar hoe kon Grauwtje opstaan!

Oom Jannis bukt zich en streelt hem over zijn rug, zijn keel, zijn voorhoofd, trekt nog eens, —• alles te vergeefs! Grauwtje staat niet op!

Sluiten