Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen ging door zijn hersens als een bliksemstraal de vrees dat Grauwtje iets was overkomen, dat... en die vrees was al genoeg om hem te doen gaan zitten, ergens op steunen om te bekomen en kracht te herwinnen om naar zijn oogen te kunnen kijken, om op zijn ademhaling te letten, om te weten te komen of zijn Grauwtje leefde.

Hijgend zat hij neer, uitgeput van vermoeienis, door de haast waarmee hij 't zadel had losgemaakt en de manden op zij gestooten, door 't trekken aan den halster om Grauwtje te doen opstaan, en door de zon die boven op zijn hoofd stond te branden.

Hij zat daar en stond niet op. Hij keerde zich slechts naar een rots naast hem, halverwege den berg, waar nergens een levende ziel te zien was die hem een druppel water kon komen geven om hem bij te brengen.

Plotseling dacht hij weer aan het ongelukkige Grauwtje en trachtte zich naar de plaats waar 't dier lag te sleepen om hem te streelen en te doen opstaan, en daarna op hem te gaan zitten en naar zijn hut te gaan, waar zij beiden konden rusten; de druiven konden naar de maan gaan.

Maar hoe kon Oom Jannis opstaan! Hoe meer hij er over dacht om op te staan, des te zwakker voelde hij zich worden, steeds meer, en toen bleef er geen andere gedachte in zijn hersens dan dat hij zijn hand kon uitstrekken over Grauwtje om hem te doen bemerken dat hij naast hem was, dat ook hij te uitgeput was, en zou blijven liggen tot hij bijkwam. De oude man verzamelde zijn laatste krachten en strekte zijn hand uit.

Sluiten