Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hand viel zwaar neer op den levenloozen hals van Grauwtje. De hand bleef liggen zooals ze was neergevallen, de oude man bleef ook liggen, onbeweeglijk, zonder spreken, als in diepen slaap. In zijn uitgedoofden geest was geen sprankje vuur meer, en zelfs de mieren en de vliegen hinderden hem niet. Maar de zon brandde op hem, die zijn eeuwigen slaap sliep naast zijn Grauwtje, zijn moedige Grauwtje, die gestorven was onder zijn werk, als een krijgsman op de wal van z'n veste.

Den volgenden dag zag men op die plek niets dan eenige druiven hier en daar verspreid. Oom Jannis was begraven een eind hoogerop in St. Manna, het arme Grauwtje was neergeworpen in een diepen afgrond beneden.

Ze begroeven Grauwtje niet al had hij ook zijn leven lang gewerkt. Maar de vogels beklaagden hem en ontblootten zijn witte beenderen, en die werden verwarmd door de zon en nat door de regenbuien, totdat ze ten slotte ook verdwenen en er nu van het arme Grauwtje niets overblijft dan deze kleine geschiedenis.

Sluiten