Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mooi, nog eens zoo blauw toe. Tot zelfs de nevel scheen ons mooi en als doorzichtig toe en wij meenden toen er achter te zien groene betooverende weiden. Bij die zachtheid en dat verlangen waren de bootjes dicht naast elkaar en zonder dat we 't merkten werden ze samen tot één grootere boot.

Wij waren trotsch op onze groote boot. Wij zaten naast elkaar, heten baar alleen ronddwalen en keken elkaar aan, hielden van elkaar en kusten elkaar.

Maar de boot moest haar weg gaan. Ik ging dus aan de riemen zitten en zeide tegen mijn liefste dat zij niet moest roeien omdat zij niet heel sterk was, maar de boot moest sturen, 't Meisje stuurde dus de boot en ik trok krachtig en vol lust aan de riemen zonder te letten op 't zweet dat langs me stroomde.

Zoo gingen wij verder. En terwijl wij zooverder gingen (ik moet toen ongeveer dertig jaar zijn geweest en mijn liefste een jaar of vijf en twintig) kwam er plotseling een heel klein bootje naast ons, met een mollig engeltje erin, dat niet roeide, maar 't had ook geen riemen in zijn bootje; hij dobberde maar op en neer op de golven als een notedop, rond en licht. En vast gehecht als 't scheen aan onze boot, werd 't in een oogwenk één daarmee, en nu waren wij met ons drieën. Zij nam 't wezentje in haar armen en gaf 't vol verlangen de borst, en ik roeide er flink op los en durfde nu niet meer de boot te laten gaan zooals ze wilde.

En zij voedde 't kleintje geregeld, 't werd een groot kind en in korten tijd een echte jongen van

Sluiten