Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een jaar of tien. Ik was een veertiger van jaren en een vijftiger van vermoeidheid door 't steeds maar roeien. En mijn liefste was een echte vrouw geworden, altijd hef, altijd vroolijk, hoe bleek zij ook was; haar jongen leek heelemaal op haar.

En soms door de groote vermoeidheid en 't zorgen zeiden we: laten we af en toe eens de riemen laten rusten; laten we uitrusten en kijken naar 't meer en de tallooze booten erop. Wij vonden 't prettig zoo te doen en deden 't weer, lieten met andere woorden de boot gaan zooals ze wilde.

Op zekere keer gebeurde 't dat er plotseling een hevige wind opstak en de golven werden opgezweept. Groote zwarte wolken verzamelden zich aan den hemel, 't meer werd van blauw loodkleurig. Op de golven dobberden veel booten op en neer, en de menschen schreeuwden; men hoorde niets dan jammeren. Wij werden heel bang en ik wierp mij met kracht op de riemen. Maar door mijn groote haast en verwarring brak de eene riem; ik bleef met slechts één riem over. En terwijl ik trachtte vooruit te komen met den eenen riem, kwam er een golf die over de boot sloeg: 'tscheelde weinig of ze was gezonken. Mijn liefste nam haar kleinen jongen in haar armen en bad tot de H. Maagd dat zij ons zou redden.

Hier moet ik jullie vertellen dat er een Drakos is die om dat heele meer ronddoolt en af en toe van achter de ijzeren tralies met een haak naar zich toetrekt wien hij wil en hem in den nevel haalt.

Op dat oogenblik was de Drakos vlak bij ons, en met een woeste demonische vreugde haakte en

Sluiten