Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kaken en snoven met welbehagen de heerlijke avondkoelte op. Onophoudelijk naderden sloepen uit zee, visschersschuiten kwamen aan, zeilen werden gestreken, ankers neergelaten, kabels aan palen vastgebonden. Weer andere gingen ginds naar Galaxïdi met de zeilen gezwollen door den avondwind. Blootsvoets, de broek tot deknieën opgestroopt, droegen de visschers'hun manden vol spartelenden zeehaan, brasem en barbeel van de schuit naar wal. En al die menschen die daar een luchtje schepten, sommigen wandelend langs 't strand, anderen gezeten voor de kleine café's, heel dat gezelschap van provincialen, plaatselijke ambtenaren en menschen uit Salona, welgestelden, kooplui, grondbezitters, waarvan sommigen maanden in Itia vertoefden voor de baden, of voor hun landerijen, en anderen iederen avond per rijtuig kwamen om wat zeelucht te happen: allen verdrongen zich om de visschen, terwijl door al hun drukte en lawaai heen op een paar passen afstand de harde stem van den kellner weerklonk:

„Eén koffie,.. . één brandewijn!"

Van achter de lange smalle rots waar Galaxïdi achter verscholen ligt kwam de stoomboot te voorschijn.Zwart,pikzwart kwam deboottevoorschijn in de kalmte van den avond. Hij liet een schor gefluit hooren en kwam stampend en snuivend stilliggen op de reede. Toen kwam 't strand in beweging. De passagiers, en 't waren er niet weinig, verdrongen zich bij 't houten bruggetje van de landingsplaats, 't Waren er eenzestig.allemaalflinkekerels, non zonder knevel, aladaeschoren, met heldefe

Sluiten