Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

foestanélla's, sneeuwwitte kousen, onrustige gezichten en vlammende blikken, 't Waren allen lotdingen, die uit hun dorp weg trokken om in dienst te gaan; sommigen kwamen van de hooge bergruggen van Arachowa, anderen van debergen van Lidorikiós, weer anderen van de geurige groene velden en 't koele water van Chrissós. Ieder met z'n zak over den schouder en een roodzijden doek om den hals, de handen op eikaars schouders, twee aan twee, drie aan drie, half dronken, half beduusd, zingend en schreeuwend, gingen zenaar de sloepen, met hun oogen droevig gericht op 't land achter zich. Troepen vrouwen en meisjes omarmden hen daar, schreiden en lachten tegen hen, gaven hun goeden raad en vermaningen, en kussen en nog eens kussen. En iedere sloep die vol was ging langzaam weg onder gezang en geschreeuw, met doeken in de lucht, met bewegingen van hoofd en handen, ging weg, maar keerde weer terug om nog iemand mee te nemen die onder al die tranen vergeten was, en als die dan ook aan boord was, gleed hij eerst langzaam naar zee, verderop steeds vlugger, en legde ten slotte langszij van de stoomboot aan.

Nu ging de zon geheel onder; lange schaduwen gleden over 't strand, de zee en de rotsen; alleen de hoogere bergtoppen waren nog roodgekleurd. De stoomboot had nu z'n geheele lading ingenomen, de sloepen keerden leeg terug naar 't strand met een enkelen passagier, en 't schip steeds zwart, pikzwart in de blauwe omarming der zee, liet een schor gefluit hooren, zwenkte langzaam, 't water

Sluiten