Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuimde, en voort ging 't naar de open zee. In een grooten kring stonden de vrouwen nu aan den kant, zonder adem te halen, zonder te bewegen, als versteend; zwijgend, zonder spreken wuifden ze met taüooze doeken naar 't schip. Van de zwarte kanten van de boot, die steeds verder naar zee stoomde, wuifden andere doeken tot een laatst vaarwel. Af en toe droegen de vleugels van den avondwind een krachtige stem aan, halfluid en klagend, maar toch troostvol: „Tot weerziens!"

En toen achter de eerste kaap aan den overkant langzaamaan de zwarte zijden van 't schip verdwenen en de witte doeken niet meer zichtbaar waren, en de zee als tevoren vrij en blauw zich uitstrekte, toen ging er een groote droefheid door heel die menigte van moeders en vrouwen, van zusters, van verloofden en verliefden, van nichtjes en vriendinnen, die als ze in hun dorpen waren teruggekeerd van dien avond af jarenlang alleen zouden blijven en gescheiden van hun flinke jongens, die voor 't eerst van huis waren om in den vreemde te dienen.

Een groote droefheid ging door de menigte; oude doffe oogen en schitterende jonge oogen vulden zich met tranen, snikken werd gehoord, en de droefheid spreidde breed haar vleugels uit over dat kalme, rustige hoekje van 't strand. En onder al die smart kwam een klein oud vrouwtje, dat vermoedelijk al veel kinderen en kleinkinderen aan 't leger had afgestaan, naar voren, en terwijl ze haar bevende voeten maar langzaam kon voortsleepen.

Sluiten