Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Veloecbi, als een onweerstaanbare strijdmacht, kwam de Karpenisiötis; uit geheimzinnige en onbekende, onzichtbare en ontoegankelijke bergkloven stortte de Kastanias neer. En als pallikaren van gelijke kracht en helden met donderende stem, broederlijk in 't geweld, samen onstuimig neerstortend, vereenigden ze zich in donderende geluiden die alleen een ijzeren oor ongestraft in zich kon opnemen en verdragen, verpletterden in een woeste geul met verdubbelde kracht de ontzaglijke steenen reuzen, verdwenen in hun helsche vaart achter de overwonnen bergen en snelden, huilend als wolven in hun fiere overwinning en glorie, verder naar Agrapha, naar nieuwe gezichteinders, om weer andere reuzen te bestrijden en te overwinnen.

En in 't ijzige gehuil van den herfstregen dook een diepere geheimzinnigheid, een diepere schrik op in de woestheid die me omringde. Hoog op den rooden, met wonden overdekten reus, tusschen de bebloede borsten, was een smal stuk weg te zien, recht 'als een lijn langs een liniaal getrokken, hier rood, daar zwart, ginds wit. Ongetwijfeld was 't een pad. Ik volgde 't oplettend, met ontzetting. Was 't mogelijk? Op de borst van dien ontoegankelijken burcht kon een menschevoet loopen? Steeds recht, steeds scherp afgeteekend leidde 't pad naar een uitspringend stuk van den berg, hangend, zwevend, als 't ware tusschen hemel en aarde, 'k Wreef m'n oogen uit en telde daarop een tiental steenen, vierhoekige huisjes, potdicht daar de regen voortdurend er tegen aan sloeg.

Sluiten