Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Plotseling kwam naast me aan 't eind van den rand van den afgrond een oude man tevoorschijn, beladen met een zak op de schouders. Hij zette den zak op den grond, ging erop zitten, en zuchtte hijgend. Achter hem aan kwam een oude vrouw, ook beladen met een zak dien zij neerzette; zij ging naast hem zitten, 't Waren twee gerimpelde oudjes met een krachtig lichaam, echte boeren uit de bergen. Ze waren gehuld in onherkenbare, vuile, modderige vodden. Hoofd en handen, keel en borst waren geheel gerimpeld, de huid was zwart verbrand door de zon; ze droegen kapotte sandalen van varkensleer aan de voeten.

„Goeiendag, m'n zoon," mompelden beiden.

„Goeiendag, vriend; waar kom-je vandaan?"

De oude vrouw leunde op den zak, nog hijgend van 't loopen; de oude man antwoordde, buiten, adem:

„Van den molen, op weg naar 't dorp, m'n zoon. We hebben wat maïs gemalen. De winter komt aan, zie-je, en wie zal dan nog langer den berg opkomen of naar beneden gaan als de sneeuw er is."'

„En waar is jullie dorp?"

De oude man lichtte z'n hand op en wees omhoog naar de paar huisjes op 't uitspringende gedeelte van den berg.

„Daar boven, daar is 'tl 't Heet Karitsa."

„En moeten jullie met zoo'n zware vracht daarheen klimmen?"

„Wat is daaraan te doen? Wij, m'n zoon, zien den dood in levenden lijve voor ons. Och, we hebben 't zoo ellendig."

Sluiten