Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En zijn jullie met z'n vele families in 't dorp?"

„In den zomer zullen we een stuk of vijftien zijn; maar nu met den winter gaat de helft 't dal in, naar de vlakte van den Vrachoriós. Ach ja, hoe kan een mensen daar boven ook maar zoo'n beetje leven, als hij niet heeft wat hij noodig heeft!"

„En hebben jullie wat je noodig hebt, ouwe?"

„Zeker, maïs, en daar moeten we God nog voor danken. En zoodra je dat maar hebt, moet je 't koken ook. We maken er pannen vol van, met meel en varkensvet erin, en doen 't dan dadelijk in vaten."

„Vet?"

„Dat beetje vet is 't dat ons in leven houdt. Dat gebruiken we op 't brood, dat gebruiken we in de lamp, daarmee bakken we een ei. Vet dat we volop nebben: als we dat niet ruim hadden, was de ellende niet te overzien!"

„En komen jullie 's winters wel in 't dal?"

„Zooals 't uitkomt. We gaan eens in de drie maanden den berg af. De sneeuw sluit je in, m'n zoon. Koud, zeg-je? Een ware marteling. We hebben zelfs een week noodig om een deur vrij te krijgen. We zien geen lucht, geen aarde, geen menschen. Als een van ons sterft, komt geen priester daar naar boven toe. En 's zomers, zal je zeggen? O die jonge menschen toch! Dan schaf je je een nieuwe lever aan .... Kom oudje, laten we doorgaan, je loopt kans om vanavond niet thuis te komen

En de oudjes, nog steeds hijgend, tilden de zware zakken op hun schouders, zeiden me goe16

Sluiten