Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE HAGELBUI.

Vrij zag 't oog uit over de groene uitgestrektheid der wijnbergen en de diepblauwe, met schuim bedekte zee. De zwaluwen schoten piepend door de lucht, de meeuwen doken neer in de golven. Een vreugde Gods, en een pracht van een zomerdag. De hemel was kristalhelder, diepblauw; de bries van de velden geurig van gras en groen. Uit de wijnpershuisjes, mooie witte, roode en blauwe gebouwtjes, her en der verspreid, steeg rook op: 't was tegen den middag. De arbeiders, jongens en meisjes, waren bezig den oogst in te halen in de manden die ze vulden en op hun schouders laadden, waarna ze de druiven gingen uitstorten op de druivenvloeren. De velden zagen wit van de witte hoofddoeken die de meisjes droegen tegen de zon; *t geurige windje bracht op z'n vleugels verzen van liefde en smart aan van de liedjes der druivenplukkers:

Je hebt 't nestje hoog gebouwd, de tak zal zich begeven.

Weg vliegt je vogel, en voor jou... is slechts verdriet gebleven.

De zon brandde; 't zonnevuur verspreidde gouden, verblindend helle golven, diepgouden vlammen ; den arbeiders stond 't zweet op 't voorhoofd; de glimlach van 't geluk was in de huisjes en hutjes.

We zaten met den eigenaar van 't pershuisje onder een reusachtigen eik. De boer was moe geworden van 't werken in de brandende zon en

Sluiten