Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drogen. En deze schittering van den helderen hemel, van de groote zon viel met een groote treurigheid neer op de verbrijzelde, vernietigde natuur.

De boeren, terneergeslagen, ontzet door de onverwachte ramp, waren verbijsterd, als door een beroerte getroffen. De eigenaar van 't pershuis, z'n vrouw, z'n zoons, z'n dochters, z'n hond, de groote krulharige hond, ook hij met hangenden kop en doffe oogen, en ik, we gingen allemaal naar buiten, naar den druivenvloer. Niets was er overgebleven; de druiven, voor zoover niet meegesleept door den vloed, waren vastgeplakt aan den grond, waren een en al modder geworden, terwijl ze zoo kort geleden die mooie blauwe kleur aan de zonnestralen vertoonden. Bij zoo'n verwoesting, zoo'n vernietiging waren wij allen diep, diep geschokt. O wat was God toch onrechtvaardig! De jongens vloekten, de vrouw sloeg zich met de handen tegen 't hoofd, de meisjes schreiden. Rechts, links, verderop : dezelfde treurigheid, dezelfde droefheid, dezelfde verwenschingen. De eigenaar, doodsbleek, met gebogen hoofd, de handen op den rug, keekmet open oogen zonder te zien. Hij was als verdwaasd. Gejammer en gevloek steeg overal van de velden op, de lucht scheen vol golven van toorn, woede en wanhoop. Ja, God was heel, heel onrechtvaardig!

Gedaan is 't met de zoete droomen, de heerlijke verwachtingen. De schuldeischer kan ook dit jaar niet betaald worden, de rente niet gegeven; de schuld zal grooter worden, geld zal er in 't najaar niet zijn voor de bebouwing, er zal in den winter aebrek aan brood ziin: aeen schoenen en aeen

Sluiten