Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleeren. 't Huwelijk zal ook dit jaar niet kunnen plaats vinden, de bruigom zal 't geld verlangen dat ze 'm beloofd hadden, 't meisje zal kwijnen van verdriet, over de familie zal schande worden gesproken; misschien ook zal de bruigom de verloving verbreken: de menschen zullen er dan 't hunne van zeggen. De armoede zal drukkend, heel drukkend, de ellende groot zijn dit jaar, 't brood duur....

En al die bittere gedachten drukken zwaar in 't hoofd van den armen vader. Hij keert zich om en ziet de oogen van z'n dochter vol tranen, haar gezicht bleek, betrokken, 't Arme kind! Hij denkt nu aan niets anders dan aan haar, aan haar alleen. Wat een ramp! Heftiger wordt 't gevloek, 't geschrei om hem heen; z'n hart zwelt, 't Gaat hem heel slecht, heel slecht; zal ook hij nu vloeken, zoodat hij verdoemd zal zijn, en z'n lichaam als hij morgen of overmorgen sterft niet tot ontbinding overgaan, en z'n ziel. in alle eeuwigheid koken in de ketels met pek?

Maar neen, dat kan niet, dat is niet mogelijk. Ellende, tegenspoed: tegen wien anders moet 't zich keeren dan tegen den mensch? Ook deze ramp moet hij nog dragen. God heeft die gegeven, en wat God geeft is wel gedaan, 't Leven eischt moed, dat leven vol zorgen. En plotseling keert hij zich om met z'n bevende stem temidden van 't gejammer en geweeklaag van z'n gezin en zegt met een bitteren glimlach:

„Kom jongens, moed houden, moed houden. Laat jullie dien nu allemaal zakken! God zorgt ook voor ons arme menschen!

Sluiten