Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE MOLEN.

Eiken dag maakte 'k op 't eind van den middag als de zon scheen een wandeling, buiten door de open velden. Dikwijls amuseerde 'k me met te gaan naar 't snelstroomende riviertje, waar de meisjes, tot de knieën in 't water, aan den kant de kleeren waschten en met haar dikke, ronde armen stevig den klopper zwaaiden, 'k Ging liggen in de puinhoopen van 't gewelf van een ouden molen, den Molen in de Bergen, zooals die plaats daarginds genoemd wordt, en bracht m'n tijd door met te kijken naar de bergen, de velden, de anemonen en de groene hei om me heen, en te luisteren naar *t gekabbel van den stroom.

Op zekeren dag vond 'k op diezelfde plek een ouden herder liggen, die z'n schapen daar in de buurt hoedde. En in den loop van 't gesprek dat we voerden vertelde hij me de volgende geschiedenis van 't half-ingestorte gewelf van den Molen in de Bergen:

„Ja vriend, nu is er niets meer over dan dit gewelf dat je ziet. In vroeger tijd, in den Turkschen tijd, stopd hier de Molen van Liakos. Hierheen kwamen de meeste dorpen uit de streek, Grieken en Turken; van de stad en van de dorpen brachten ze hun graan op de muildieren. Ze zeggen dat de Molen in de Bergen de beste molen was, met een groote waterkraan, met drie- en vierdubbele molensteenen, met een hijschtoestel en een vollerij; en hij had nooit gebrek aan water. Doordat hij zooveel te doen had, gebeurde 't wel dat ze dagenlang

Sluiten