Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moesten wachten eer hun graan gemalen werd, zoodat de menschen ten slotte in een rij hun beurt afwachtten. De molenaar Liakos was een even brave als flinke kerel. In die tijden kwamen die twee eigenschappen ook te pasl De arme menschen konden hun last malen zonder dat ze er ook maar een duit voor behoefden neer te leggen, en de Turk zou zich wel bedenken voor hij zich in al z'n onrechtvaardigheid aan Liakos trachtte voor te doen.

De molenaar had al vroeg z'n vrouw verloren; hij had één dochter, een pracht van een meisje, Loelóédo, de roos van den Molen. Haar schoonheid was in de heele streek beroemd.

't Meisje hield van een kleft, Tsèlios: 't was in den tijd dat er nog kleften waren. Liakos, die hem wel eens op z'n knieën had gewiegd — hij was namelijk de zoon van een grooten vriend van 'm —, had z'n dochter met hem verloofd en zocht een gunstige gelegenheid om hem te bewegen de bergen in den steek te laten en bij hem in den molen te komen werken, zoodat ze konden trouwen. Hij zelf was oud, en waarop wachten wij oude menschen anders dan 't graf!....

Zoo stonden de zaken, toen op zekeren dag de jonge bei van 't land met z'n gevolg terugkeerde van de jacht en tegen den middag langs den molen kwam. De molenaar, die een raja was, moest hem of hij wou of niet gastvrij ontvangen. Hij slachtte kapoenen en liet in de stad wijn halen, 's Middags zaten ze aan tafel, de jonge bei en z'n gevolg, een stuk of twintig. De wijn — men zei dat de Turken.

Sluiten