Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dakbalk zitten en stelt zich verdekt op achter 't dakraam.

De Turken probeerden met geweld de deur van den molen open te krijgen. In den tuin vonden ze een bijl en wierpen zich er op. De deur begon te kraken, de molen ging dansen. Plotseling begon de karabijn van den ouden man van boven af te bliksemen en lawaai te maken als een uitgehongerd wild beest. De kogels van den molenaar misten niet en sloegen telkens zoon Turk op den drempel neer. Maar als van de Turken er een viel, stortten zich twee op de deur, tot ze 't opgaven en razend een schuilplaats zochten in 't platanenbosch. De jonge bei stond zich achter een hollen plataan op z'n vingers te bijten en met z'n voeten op den grond te stampen van woede. Hij begon te schreeuwen:

„Den molen aansteken, dan zullen we dien ongeloovigen kerel verbranden."

Ze liepen den tuin in; Liakos kon hen niet zien. Naast den molen stonden twee hooibergen. Eerst sneden ze den watertoevoer van den molen af en toen staken ze de zaak in brand, 't Was zomer, een tijd dus waarin zelfs de aarde gemakkelijk vlam vatte, en al gauw stond de molen in brand, een dichte rook steeg op, 't houtwerk kraakte, en stukken muur vielen naar beneden. Liakos ging langzamerhand van den balk naar den muur en zat naast 't dakraam. Hij werd verstikt door 't vuur en den rook, maar bleef gespaard. Toen 't vuur begon te minderen, kwamen de Turken dichterbij. Zoodoende zien ze dat hij nog leeft: ze waren dol.

Sluiten