Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kruiste beenen op een bank zitten en begon z'n verhaal:

„Laat 'k 't dan maar weer eens vertellen: zoo zijn de menschen nu eenmaal: ze hebben plezier in andermans verdriet.

Ik hield van een meisje. Als 'k niet met heel m'n hart van haar hield, dan mag m'n eigen bloed vloeien als de wijn dien we hier allemaal zitten te drinken. U, Meneer Nikolós, weet heel goed dat m'n vader zaliger me bij z'n dood geen ander fortuin naliet dan z'n kudde en een lap grond waarop de schapen 's middags konden rusten. Ik werkte als een hond en 'k heb me zoo iets gedaan om in m'n eigen boeltje te komen! Die kleine tuin daarginder — je kunt 'm nu niet zien in 't donker — met z'n groene vijgeboomen is door mij met veel moeite aangelegd. Ik had maar één zorg, één gedachte: om 't huisje dat nu midden in den tuin, een eindje voorbij de schaapskooi staat, te bouwen en daar samen met Róéso en m'n moeder te wonen. Róéso, die duivelsche meid!...

Wie kon haar zien, met haar zwarte oogen, haar dikke wangen, haar geborduurde jakje, haar mooien rok, en haar zilveren spelden op de borst, haar lange vlechten in haar witten hoofddoek, en haar roode sandalen met kwastjes — wie kon haar zien zonder als versteend voor haar te staan, zooals de prins uit den ouden tijd voor de schoonheid van de herderin? En slank dat ze was, dat kind!

Overal waar er een volksfeest was of een bruiloft werd gevierd, overal waar gezongen werd en plezier gemaakt, daar was Róéso ook de voorste.

Sluiten