Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet wat 'k zei.

„'k Maak 't best; 'k ben niet ziek," antwoordde ze met moeite.

Toen begreep 'k alles, 'k Werd woedend en zag niets voor me dan zwartigheid, 'k Stak m'n hand in m'n gordel, grijp 't pistool eruit, wil afvuren op den herder, 't ketste.... Ze pakken me beet, rukken me 't pistool uit m'n hand, sleepen me naar den put en gooien me water over m'n hoofd alsof 'k dronken was. 'k Brulde als een bezetene: laat me losl... Ze lieten me los, verdwenen de een na den ander naar den stal en keken me na in 't donker, 't Was een koude vriesnacht, een voorjaarsnacht. De bergwind frischte me wat op en 'k kwam tot mezelf, 'k Ga regelrecht naar m'n stal toe. M'n moeder was verderop met de geiten bezig; 'k ga op een steen zitten, op dezelfde plek waar Róéso en ik zoo dikwijls samen naast elkaar hadden gezeten. Duizenden dingen van vroeger, waar 'k in zoolang niet aan gedacht had, kwamen me op dat oogenblik voor den geest, en nu zag 'k me daar zoo'n ellendigen opperherder Róéso uit m'n armen rukken, 'k Borg m'n hoofd in m'n handen en 'k huilde als een klein kind. Na een poos was 'k weer bedaard, 't Was later in den nacht geworden; bij 't licht van de sterren was de stal van Oom Jannis zichtbaar, een lust om te zien; 'k hoorde er vroolijk zingen, 'k Werd weer woedend; een inwendige stem drong me om erheen te gaan; 'k bedwong me en schreeuwde alleen als een gek in 't donker van den nacht: Róéso! Róéso! Róéso! Hoe kon ze me hooren, hoe kon Róéso me hoor en!... Voed een

Sluiten