Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slang in den winter, dan verslindt hij je in den zomer!

Een paar dagen later tref 'k Róéso bezig met wasschen aan de rivier. Daar zag ik haar geregeld den heelen dag gebogen over 't water, terwijl ze de kleeren waschte en ik verderop de schapen' hoedde, 't Was nu heel zeker dat Róéso verloofd was met den opperherder. Iedereen zei 't in die dagen: ze beviel den herder best, hij zou haar ineens meenemen, zei men, z'n herderin, naar z'n dorp. Zoo'n geluk was nog nooit iemand in onze streek te beurt gevallen, en iedereen benijdde Róéso. Wel, wel, die Oom Jannis, zeiden ze, met honderd schapen krijgt hij er duizend! En Róéso was nu zóó hoogmoedig, niet te zeggen hoe erg.

Ik kwam dichterbij, ik zag haar daar zoo mollig, met die ronde wangen en die amandelvormige oogen van d'r, en 'k dacht dat de grond onder m'n voeten beefde. „Róéso!" zei 'k heel zacht. Ze hoorde 't niet. Ik kwam nog wat dichterbij en stond voor haar. De rivier stroomde bruisend langs haar mollige voetjes, hier en daar lagen wat kleedingstukken uitgespreid over de platanen en de oleanders; nergens was een levende ziel te zien: alleen de duiven streken in vluchten neer om uit de rivier te drinken.

„Goeiendag," zeg 'k wat harder.

Ze keek me aan en werd vuurrood.

„Goeiendag," antwoordde ze; toen keek ze voor zich en zwaaide den klopper omhoog in de lucht;

'k Werd boos en m'n hart smolt in me als lood in 't vuur.

NGN5 33

Sluiten