Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat heb 'k je gedaan dat je me zóó behandelt?" zeg 'k verdrietig, „wat heb 'k je gedaan, Róéso?"

Geen geluid, geen antwoord. Dat was een heel verschil: de Róéso die 'k hier voor m'n oogen zag en de Róéso waarvan 'k 't beeld in m'n hart droeg. Al m'n verdriet verstikte weer net als dien avond m'n hart en 'k begon weer te huilen als een klein kind, en dezen keer terwijl 'k tegenover haar stond. Bijna onverstaanbaar jammerde 'k:

„Wat heb 'k je gedaan, wat heb 'k je gedaan?"

Ze barstte in lachen uit en ze zei, terwijl ze kaarsrecht voor me stond, tot haar knieën in 't water, lachend, steeds maar lachend, met een zonderlingen blik in haar oogen strak op me gericht, alsof ze niet van mij was, van mij, alsof 'k haar niet zoo dikwijls aan m'n borst had gedrukt met deze handen,'alsof 'k haar niet duizenden keeren van ganscher harte, innig had hooren zweren dat ze van me hield:

„De man met wien ik trouw," zei ze, „schiet niet op menschen aan wie m'n vader gastvrij onderdak geeft in de schaapskooi."

En ze barstte weer in lachen uit en keek me minachtend aan, met diezelfde oogen die me nog zoo kort geleden zoo liefkoozend aanzagen. Ik stond als versteend, m'n tranen droogden, 'kbeet me diep in m'n lippen.

„Wel," zei ze ten slotte, „ben-je niet goed bij je hoofd, stakker; let eens op je schapen daar, ze gaan recht 't water in."

Een oogenblik kwam 't bij me op om voor haar neer te vallen en haar in m'n armen te sluiten en te

Sluiten