Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oude man met z'n witte haren maar steeds en sloeg z'n oogen ten hemel.

God deed den dag aanbreken, de zon ging op in de bergen, de vogels kwamen tevoorschijn met de dauwdruppels, en nog steeds bleef 't dorp gesloten. Al de huisjes, al de hutjes waren potdicht; alleen deed hier en daar een oud vrouwtje haar deur op een kier open om een troep jonge kippen en kuikens te voeren. De ontstelde menschen lieten hun maïs op den dorschvloer liggen en hun ploeg op den akker staan, 't Zag er uit of er een kwade pest langs 't dorp was gekomen die alle menschen had doen sterven.

In den middag barstte eindelijk de ramp los. Talrijk waren zij die de weduwe Arsèno op haar stoep zagen komen en als een bezetene roepen: „Menschen 1 om Godswil, mijn kind!" En de tranen stroomden uit haar oogen, en in wanhoop reet ze zich de wangen open en rukte aan haar vlechten. Die arme moeder! Vasilo was haar eenige kind. Nog vóór haar bevalling was haar man zaliger gestorven. Ze had haar met veel tobben grootgebracht, ze had zich om zoo te zeggen 't eten uit den mond gespaard om 't haar te kunnen geven. En wat hield ze van 't kind! Alle moeilijkheden ruimde ze ervoor uit den weg. En Vasilo werd een prachtkind, een meisje van melk en bloed. En moeder en dochter waren ook niet weinig trotsch op die schoonheid. Hoeveel jonge mannen ook haar dochter ten huwelijk vroegen, Arsèno vond geeneen een passende partij voor haar schoonheid. Moeder en dochter keken zeer hoog.

Sluiten