Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En nu, wie had aan zoo'n ramp kunnen denken? Alle oogen van 't dorp werden vochtig en alle lippen zeiden: dat arme kind! Een meisje van zeventien jaren, in den bloei van haar jeugd: zonde van de blonde haren en zwarte oogen. Velen waren er die ook met de ongelukkige moeder in haar verdriet diep meelij hadden. Tante Mitrotónèna, die indertijd als vroedvrouw bij de bevalling was geweest, vatte moed en ging mee tot bij de stoep. Ze begonnen haar schuchter om haar hulp te vragen van beneden aan de trap, tot ze boven waren. Mitrotónèna deed de deur open en ging onbevreesd naar binnen. Wat moest ze zien! 't Meisje lag op bed uitgestrekt te worstelen met den dood. Haar heele lichaam gloeidèals een oven en haar mooie oogen waren als gloeiende kolen en keken wild naar de dakbalken.,

Drie dagen duurde de doodsstrijd en lag ze ijlende te worstelen. Den derden dag braken de pokken uit: haar lichaam was er van 't hoofd tot de voeten mee overdekt, en haar moeder, die elk oogenblik de lakens verwisselde, spuwde drie maal op haar; een lichte glimlach was op haar lippen te bespeuren als zij zag dat haar dochter nog leefde. Een maand had 't meisje noodig om 't te boven te komen. En zie, zij was de eenige in 't dorp die door 't onheil was getroffen. De Honingzoete had haar zeker, toen zij door 't dorp ging, haar schoonheid en trots benijd en 't booze oog op haar geworpen, en was toen heengegaan, ver van de streek. En in wat voor een toestand had de vervloekte haar gebracht, 't Frissche gezichtje was onherkenbaar

Sluiten