Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenen kant een aarden bakje met gestremde zure melk, en aan den anderen kant den grooten nap dien Trypias tevoren had laten vullen in Babini, 't eenige dorp in de heele provincie Echinos waar wijn verbouwd wordt.

„Welkom!"

„Op uw gezondheid!"

We sloegen een kruis en begonnen te eten. We hadden allebei honger; hij was doodmoe van de hitte en de brandende zon dien dag en ik van zoo'n langen tocht over bergen en dalen. Artinia zat in haar hoek geleund naast de voorraadkast met opgetrokken knieën en had 't spinrokken voor zich. Zoo is de gewoonte in de dorpen; de vrouwen zitten nooit mee aan bij 't eten wanneer ze een vreemde te gast hebben. Door de open deur kon men enkele sterren zien twinkelen en de noordwestelijke nachtwind speelde in de gekroesde blaren van den vasilikós die z'n maagdelijke geuren door 't venster naar binnen deed stroomen. Een krekel sjirpte op 't dak, Malliarós lag steeds kwispelstaartend in de deur en blafte meermalen. Een herdersjongen, die met de geiten den berg afkwam, verbrak de lucht en de stilte van den nacht met z'n Üed dat recht in onze ooren klonk:

Ik deed geen oog dicht dezen nacht, 'k zit nü te

knikkebollen.

Je blauwe oogen zijn de schuld, je lieve, zachte

oogen;

Ik steel ze nog eens op een nacht, wanneer 't maantje weg is.

Sluiten