Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan breng 'k ze boven op een berg, hoog boven

op een bergtop,

Opdat 'k ze kus te middernacht en 's morgens in

de vroegte,

Wanneer 't patrijsje lokt en roept, de nachtegaal

zijn lied zingt.

En bij de laatste woorden, die ter nauwernood nog duidelijk voor ons te hooren waren, zuchtte de oude man weer; Artinia sloeg de oogen nog dieper neer in haar schort en haar handje was druk bezig met de spoel van haar spinrokken. Bij al de koelte en 't zachte wiegelied van den nacht hing er een nevel, een wolk in dat huisje. Je kon er niet vrij ademhalen. Je had 't gevoel dat er iets loodzwaars, iets dat elk oogenblik zwaarder drukte, in de lucht hing, aan de muren om je heen en in je longen, en dat 't je bij de keel greep.

Nikólas Trypias was klaar met eten en strekte zich uit opzij van den haard, hij aan den eenen kant en ik aan den anderen. Artinia stond op en ruimde alles weg. We staken ieder een sigaret uit Xer ómer o aan, we zeiden een enkel woord en vervielen daarna evenals 't heele huis in 't vorige stilzwijgen.

Plotseling vielen door 't open raam drie steentjes na elkaar op den vloer; 't laatste deed een vaas met een pronkbloem met een droefgeestig geluid naar beneden vallen; en tegelijkertijd weerklonk er een zacht gefluit. Nikólas Trypias en z'n dochter sprongen op; beiden werden bleek; ze openden hun lippen en fluisterden heel zacht tegelijk:

„Liarokappis!"

Sluiten