Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja vader, daar is hij!" ■ De oude stak twee vingers in z'n mond en floot driemaal. Dadelijk daarop ging de deur open, Malliarós kwam binnen met dwaze sprongen en vroolijk geblaf, en achter hem aan Liarokappis, een kleine, gespierde jonge man met een woest, donker gezicht, woeste zwarte oogen, een woesten langen baard en woest opgestreken snor. Onder den stap van z'n schoenen leek 't wel of de grond dreunde en vonken schoot. Op z'n breede borst fonkelden twee groote borstplaten met knoppen, om z'n middel rammelden op z'n rug twee vergulde patroontasschen met hun talrijke haken, in z'n vuile foestanélla hingen de zilveren kettingen van z'n zilveren messen, de laadstokken der pistolen schitterden in de plooien van z'n goudbestikten gordel, de loop van zijn karabijn en z'n zilveren dolk straalden als 't licht van de zon.

Wij stonden alle drie overeind.

„ Goeiena vond!''

„Welkom!"

Hij keek mij zoo koud en woest aan dat 'k alles aan me voelde verstijven van angst. Trypias begreep 't en zei:

„ 't Is een vreemde dien we hier hebben, hij overnacht hier op den Aëtós en komt met een schrijven van onze vrienden."

De wildeman kwam tot kalmte, drukte me stevig de hand, kuste Artinia schuchter op de oogen, greep de hand van den ouden man en ging naast hem zitten. De oude vroeg hem of hij trek had om iets te eten; hij hief z'n hoofd met de zwarte, ka-

Sluiten