Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een jong edelman en een jonge dame, gedost in kleeren van groene, roode en gele kleur en gemaakt in den vreemdsten snit, babbelden met elkander onder een blauwen boom, waaraan witte vruchten groeiden. Een groot konijn van dezelfde kleur knabbelde een bosje grijs gras.

Achter het pratende tweetal ontdekte men in de verte vijf kleine, ronde huisjes met spitse daken en daarboven, bijna in den hemel, een vuurrooden windmolen.

De beide andere muurstukken geleken zeer veel op het eerste, maar hier zag men uit de huisjes vijf kleine mannetjes komen, allen in Vlaamsche kleedij, en die in uiterste verwondering en toorn de armen ten hemel hieven.

Het laatste gobelin stelde een drama voor. Naast het konijn, dat nog altijd gras knabbelde, lag de jonge man uitgestrekt, blijkbaar dood. De jonge dame keek naar hem, terwijl zij haar borst met een dolk doorboorde en de vruchten aan den boom waren zwart geworden.

Jeanne begreep niets van deze voorstelling, totdat zij in een der hoeken een microscopisch klein beestje ontdekte, dat bij nadere beschouwing een leeuw bleek te zijn. Toen herkende, zij in deze teekening de ongelukkige lotgevallen van Pyrame en Thysbé en al moest ze ook glimlachen om de naïveteit der voorstelling, toch voelde zij zich gelukkig, dat zij was ingewijd in dit liefdesavontuur en zij besloot eiken avond, voordat zij zou gaan slapen, te denken aan dezen ouderwetschen fabel.

Het overige van het meubilair vertegenwoordigde verschillende stijlen. Het waren voorwerpen, door vele geslachten nagelaten, zoodat tenslotte een mengelmoes bijeen was gekomen, zooals men die zoo dikwijls in musea ziet. Er stond een prachtig kastje uit den tijd van Lodewijk XIV en het werd geflankeerd door twee fauteuils, stijl Lodewijk XV. Een bureautje van rozenhout, dat tegenover den schoorsteenmantel stond, vertegenwoordigde het Keizerrijk.

Sluiten