Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jeanne had haai hand op de verschansing gelegd: [een beetje duizelig door de zachte schommeling van het bootje staarde zij in de verte en zij zag niets dan het licht, de wijde watervlakte en den hemel.

Niemand sprak. Vader Lastique, die aan het roer zat, dronk af en toe een' slok' uit een flesch, die onder zijn bank was geborgen en hij dampte voortdurend uit een neuswarmertje, dat niet scheen leeg te komen. Een dun, blauw rookwolkje kringelde onophoudelijk uit den pijpekop naar boven, terwijl een tweede, net zoo ijl en even blauw, uit zijn mondhoek werd uitgeblazen; af en toe nam hij het pijpje eens in de hand en uit denzelfden mondhoek, waaruit de rook werd weggeblazen, spuwde hij een bruine straal in zee.

De baron had de zorg voor het zeil op zich genomen en wijdde daar al zijn aandacht aan. Jeanne en de vicomte zaten naast elkaar en schenen beiden min of meer verlegen te zijn. Een geheimzinnige macht deed hen telkens op hetzelfde oogenblik de oogen opslaan, zoodat hun blikken elkaar onophoudelijk ontmoetten. Er bestond tusschen hen reeds die teedere, zachte band, die als vanzelf ontstaat, als de jonge man niet onknap en het meisje allerbekoorlijkst is. De een voelde zich gelukkig in het bijzijn van den ander, misschien omdat de een voortdurend aan den ander dacht.

De zon steeg hooger, als wilde zij de groote uitgestrekte zee beter bekijken, maar als uit koketterie kroop zij achter een lichten nevel, die haar stralen omfloerste. Het was een dunne mist, die niets verborg, doch alles zachter kleurde, en toen de sterke zonnestralen het van den damp hadden gewonnen, lag het wateroppervlak te baden in goud.

Jeanne fluisterde ontroerd:

— Wat mooi is alles I" en de burggraaf antwoordde eenvoudig :

.— Ja, 't is wel heel mooi!"

De schitterende pracht, van dezen zonnigen morgen vond weerklank in hunne harten.

Sluiten