Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lieveheersbeestjes vlogen en zoemden op bloem en blad en bevolkten deze kleine licht-oase in de schaduwwoestijn.

Jeanne en de vicomte gingen zitten, zoo, dat alleen hun voeten werden beschenen door de warme zonnestralen en zwijgend keken zij naar dat wonder van leven, gewekt door warmte en licht. En bijna onhoorbaar fluisterde Jeanne:

— Hoe heerlijk is het leven en wat is het buiten mooi! Soms zou ik een vlinder of een bij willen wjn om mij in een bloem te kunnen verbergen."

Zij spraken over hun leven, hun gewoonten en liefhebberijen, op dien zachten, innigen toon van wederzijdsch vertrouwen.

Hij vertelde haar, dat hij al beu was van de wereld met al haar schijnvermaken; altijd weer hetzelfde, nooit eens de 'werkelijkheid, nooit ernst 1

De wereld en het groote stadsleven? O, hoe graag zou zij ze kennen, hoewel zij van te voren wist, dat ze niet zouden opwegen tegen het buitenleven.

En hoe dichter hun harten elkaar naderden, hoe plechtiger hun „mijnheer" en „juffrouw" klonk, hoe inniger hun oogen elkaar telkens en telkens weer ontmoetten en het was hun alsof een ongekende zaligheid hun harten vervulde, alsof ze belang moesten stellen in duizend dingen, waaraan ze nooit tevoren hadden gedacht.

Toen zij terugkwamen, was' de baron naar de chambreaux-Demoiselles gaan wandelen, een grot in de rotsen en zij wachtten hem in de herberg.

Hij kwam eerst tegen vijf uur in den namiddag terug, vermoeid van de lange wandeling en men zocht onmiddellijk de boot weer op.

De terugtocht was zoo gunstig mogelijk; met den wind in den rug scheen het bootje als vanzelf voort te glijden, zonder eenige merkbare beweging. Af en toe blies de bries zacht in het zeil, zoodat het bol stond; dan weer liet hij het los en hing het grijze linnen slap langs den mast. De purperen zee scheen dood te zijn en de zon, die kalm en

Sluiten