Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het oneindige watervlak strekte zich naar alle kanten uit. Recht voor hen echter, heel ver weg nog, daar, waar zee en lucht samensmolten, scheen een dikke, grijze wolk op de golven te drijven. De hemel werd helderder, naarmate de zon hooger steeg en nu leek het, alsof uit de grijze wolk steile, grillig gevormde bergen verrezen: het was Corsica, dat daar vóór hen lag, nog gehuld in een lichten sluier.

Steeds hooger steeg de vuurbol aan den hemel, duidelijker teekenden zich de rotsen af, totdat plotseling de toppen der bergen zich baadden in het schitterend gouden zonlicht, terwijl de rest van «het eiland in den grijsblauwen nevel verborgen bleef.

De kapitein, een kleine, oude man, met een uitgedroogd en verschrompeld gezicht, die er uitzag alsof de zeewinden en het zilte water hem hadden ingekrompen, verscheen aan dek en met zijn heesche stem, die versleten was door het jarenlange commandeeren, vroeg hij Jeanne:

~ Ruikt u het al?"

Inderdaad snoof zij een eigenaardige lucht op van wilde planten en bloemen. De kapitein hernam:

„Dat is Corsica, dat zoo geurt en bloeit, madame; dat eiland ruikt als een mooie, jonge vrouw. Al was ik er in geen twintig jaar geweest, dan zou ik het op vijfduizend mijl afstands herkennen. Ik ben er geboren . . Hij, daarginds op Sint Helena, hij spreekt altijd over de heerlijke geur van zijn eiland, zegt men; over de geur van zijn geboortelandI Hij is familie van mij."

De kapitein nam zijn hoed af en groette het eiland, dat men naderde, zijn Corsica. Toen zond hij een tweeden groet over den breeden Oceaan naar den grooten- keizer, die daarginds gevangen werd gehouden en die tot zijn familie behoorde.

In de oogen der jonge vrouw stonden dikke tranen.

De kapitein wees met uitgestrekten arm naar den horizon.

j— Les Sanguinaires!" legde hij uit.

Sluiten