Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat verborgen lag aan de blauwe golf achter hooge bergen, die geen enkel koeltje doorlieten.

De reis over het eiland zou verder te paard worden voortgezet. Zij huurden twee Corsicaansche hengsten, sterke, magere beesten met vurige oogen, en bij het aanbreken van den dag begaven zij zich op pad. Hun gids bereed een muilezel, die ook het proviand droeg, want hotels kende men niet in dit woeste land.

De weg liep eerst langs de golf om dan een dal te volgen, dat naar het hooge bergland voerde. Zij moesten over ontelbare droge beekjes springen en onder de rotsblokken bewoog zich traag een smal riviertje, dat als een angstig beest een zacht, klagend geluid maakte.

Het was een kaal, onvruchtbaar land. De hellingen waren begroeid met lang, spichtig gras, dat in de verzengende hitte geel en droog was geworden. Af en toe ontmoetten zij een eenzamen bergbewoner, te voet, rijdend op zijn paardje of schrijlings gezeten op een ezel, niet veel grooter dan een hond. En allen droegen op den rug een geladen geweer, een oud, roestig wapen, dat in hun handen gevaarlijk was.

De doordringende geur der welriekende planten maakte de lucht zwaar en de weg steeg langzaam naar de toppen der bergen.

Af en toe wees de gids hun iets aan, terwijl hij op bijna onverstaanbaren toon een naam noemde. Jeanne en Julien keken telkens met alle aandacht, maar konden niet veel meer ontdekken dan een grijze massa, die deed denken aan een hoop steenen, welke van de een of andere rots waren neergevallen. Soms bleek het, dichterbij gekomen, een klein dorp te zijn, dat tegen de rotsen was gebouwd als een vogelnest, onbeduidend en nietig in vergelijking met den onmetelijken berg.

Het langzame rijden begon Jeanne te vervelen.

— We zullen de paarden- eens laten draven," stelde zij voor en zij gaf haar paard de sporen. Zij hoorde echter haar man niet mee-galoppeeren en toen ze omkeek, barstte

Sluiten