Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weinig bezochte landl Hun gastheer en diens vrouw waren jonggetrouwde lieden, die hen ontvingen met de ouderwetsche, bijna plechtige gastvrijheid der Oostersche volken en zij sliepen in het oude huisje op een matras, gevuld met welriekende varens.

Bij het aanbreken van den dag vervolgden zij hun reis en weldra hadden zij een donker woud bereikt, een echt woud, dat met zijn purperen tinten somber stemde. De eeuwenoude boomen hadden door de woeste zeewinden - en de zware nevelen eigenaardige vormen aangenomen; sommige deden denken aan puntige rotsen, anderen weer hadden langzamerhand den vorm gekregen van torentjes of hooge zuilen. Er waren er bij, die een lengte hadden bereikt van driehonderd meter en het leek, alsof een onbekend kunstenaar daar een verzameling van reusachtige werken had neergezet, als had hij in onmenschelijk groote afmetingen zijn boetseerwerk verricht.

Jeanne sprak niet meer, zij voelde zich beklemd, en zwijgend hield zij de hand van Julien vast; zij had behoefte aan sympathie en liefde, onder den indruk van deze verheven pracht. En plotseling vertoonde zich door een opening tusschen de boomen een zeebocht, die geheel werd omgeven door een muur van rood graniet. De rozenroode rotsen weerspiegelden zich in het blauwe zeewater.

Jeanne fluisterde:

—' O, Julien, wat mooi. . ."

Andere woorden kon zij niet vinden. Een paar tranen hingen aan haar wimpers en zij had een gevoel, alsof haar keel werd dichtgeknepen.

Verbaasd keek Julien zijn jonge vrouw aan.

— Wat scheelt eraan, poesje?"

Zij veegde haar oogen af en glimlachend antwoordde zij met onvaste stem:

— Het is niets . . . een beetje zenuwachtig . . . ik weet zelf niet... het is alles zoo mooi en ik ben zoo gelukkig, dat de minste kleinigheid me doet huilen."

Sluiten