Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets tegen iemand, die achter hen aan kwam. Jeanne en de baron keken uit het portierraampje en zagen een vreemdsoortig wezen naderen. Om zijn beenen fladderden de lange panden van zijn livreijas, zijn veel te wijde hoed danste hem op het hoofd, zijn mouwen geleken de wieken van een molen. Bedekt met modderspatten, die hem af en toe om de ooren vlogen, kwam hij aanhollen, dwars door de plassen, af en toe, zijn heil zoekende door op de groote steenen te springen, die aan den kant van den weg lagen. Zoo snel als zijn beenen hem konden dragen, volgde hij het rijtuig.

Toen hij het had ingehaald, greep Julien hem bij zijn kraag, zette hem naast zich neer en sloeg toen met zijn vuist op den hoed van den armen jongen, totdat die op zijn schouders was neergezakt. De jongen huilde en schreeuwde onder het wijde hoofddeksel, trachtte te vluchten en van den bok af te springen, terwijl zijn meester, die de teugels had losgelaten, hem stevig vasthield met de eene hand. terwijl hij het kereltje met de andere onbarmhartig ranselde.

Ontsteld riep Jeanne:

— Vader, o, vader . . .!" en de barones greep verontwaardigd den arm van haar man.

— Belet het hem toch, Jacquesl" smeekte zij.

Met een ruk liet de baron het voorraampje neer, hield de mouw van zijn schoonzoon vast en schreeuwde met trillende stem:

— Heb je dat kind nu genoeg geslagen?" Julien keerde zich stom van verbazing om.

— Ziet u dan niet, dat zijn livrei vol modder zit;?"

— Wat kan mij dat schelen Lik vind dat de moeite niet waard 1"

Julien werd opnieuw boos en beet den baron toe:

— Laat mij als 't u blieft met rust, dat gaat u niets aan! —" En weer hief hij zijn hand op, maar zijn schoonvader pakte ze met kracht beet en drukte de hand met zulk een ruk naar beneden, dat die tegen het houten beschot van den bok terecht kwam.

Sluiten