Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

varens. Men hoorde niets dan het kraken der kale takken in den kouden wind. '

Zij hadden het kleine dorp bereikt. In de stille, verlaten straten hing de lucht van zeewater en visch. Groote netten hingen over heggen en palen te drogen. En de grijze zee met haar aanrollende schuimgolfjes strekte zich uit tot Frecamp, waar de lange pieren als vooruitschoven lagen aan den voet der rotsen. De stilliggende visschersschuiten geleken groote, doode beesten.

De avond viel en bij groepjes gingen de visschers naar de haven, zwaar stappende op hun logge schoenen; wollen bouffantes om den hals geslagen, een flesch jenever in de eene, de scheepslantaarn in de andere hand. Langzaam brachten zij hun netten aan boord, hun brood, hun pot boter, een glas en hun flesch. Daarop duwden zij hun boot in zee, die op de golven danste, dan de bruine wieken uitsloeg en in de nachtelijke duisternis verdween, het kleine lichtje in top.

En de vrouwen, die het vertrek van de laatste boot hadden "afgewacht, keerden naar het dorp terug, met harde stemmen de doodsche stilte der smalle straten verbrekend.

De baron en Jeanne keken zwijgend naar het vertrek der visschers, die eiken nacht opnieuw hun leven gingen wagen, teneinde niet om te komen van honger; die toch zoo arm waren, dat zij nooit vleesch aten.

— Het is verschrikkelijk, maar toch mooi!" fluisterde de baron. „Hoe grootsch is de zee, die zooveel offers eischt, waar zoovelen hun graf vinden!"

En met koelen glimlach antwoordde zij:

— De Middellandsche zee is veel mooier!"

— De Middellandsche zee? Die zee van olie en suikerwater? Kijk eens naar die woest schuimende golven! En denk dan eens aan alle mannen, die zijn uitgevaren om nimmer terug te keeren!"

Met een zucht stemde Jeanne toe:

— Ja, als u het zóó bedoelt!"

Maar haar gedachten gingen uit naar de Middellandsche

Sluiten