Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met hooge waterlaarzen aan trok Julien erop uit om te gaan jagen op trekvogels en het geknal der geweerschoten weerklonk door de doodsche stilte, terwijl heele troepen zwarte kraaien verschrikt opvlogen om te vluchten.

Op een van die trieste ochtenden zat Jeanne bij den haard in haar kamer haar voeten te warmen. Rosalie was bezig het bed op te maken en hèt viel de jonge vrouw weer opnieuw op, hoe traag het meisje in al haar bewegingen was geworden. Een smartelijke zucht klonk door het vertrek en zonder op te kijken vroeg Jeanne: „Wat scheelt je toch?" En als altijd antwoordde het meisje „niets mevrouw," maar de woorden kwamen slechts met moeite over haar trillende lippen.

Jeanne lette er verder niet op, totdat zij na eenige minuten bemerkte, dat het doodstil in de kamer was geworden. Zij riep: „Rosalie!" maar er kwam geen antwoord. Zou zij stilletjes de kamer hebben verlaten? En luider riep de jonge vrouw: „Rosalie!" Reeds strekte zij den arm uit om aan het schellekoord te trekken, toen zij een pijnlijk, klagelijk gekerm vernam. Met een angstig voorgevoel sprong zij op en in een hoek der kamer, naast het bed, zag zij het dienstueisje op den grond liggen, met van pijn verwrongen gelaat.

Op angstigen toon vroeg Jeanne, terwijl zij zich over de zieke heenboog: „Wat scheelt eraan, Rosalie? Zeg het me dan toch?" Maar geen antwoord kwam van de lippen der dienstbode; alleen wierp het meisje een angstigen, bijna waanzinnigen blik op haar meesteres. Toen haalde zij diep adem en sloot, als in een vernieuwden aanval van pijn, de oogen.

Een doodelijke angst maakte zich van de jonge vrouw meester. Zij opende de deur, die op de gang uitkwam, en riep, terwijl zij op den drempel bleef staan: „Julien, Julien T En op ongeduldigen toon klonk het terug: „Wat wil je?"

Eenige oogenblikken later trad Julien de kamer binnen en na een blik op het bleeke, verwrongen gezicht van Rosalie te hebben geworpen, sprak hij: — Ik zal hulp gaan halen.

Sluiten