Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het dienstmeisje kromp telkens angstig ineen, als de luide kreten van den kleinen wereldburger weerklonken. Jeanne kuste haar nog eens en fluisterde haar in 't oor: — Wij zullen er wel voor zorgen, hoor, mijn kind!" Een nieuwe uitbarsting van verdriet volgde op deze bemoedigende woorden en onhoorbaar verliet de jonge vrouw de kraamkamer.

Eiken dag ging zij Rosalie bezoeken en eiken keer opnieuw begon het meisje wanhopig te huilen bij haar komst.

Het kind werd uitbesteed bij een buurvrouw.

Julien sprak bijna niet tegen zijn vrouw, als had hij een wrok tegen haar opgevat sinds haar weigering om de dienstbode weg te sturen. Toen hij op een goeden dag het onderwerp aanroerde, haalde Jeanne een brief van haar moeder uit haar zak, waarin de goede vrouw vroeg om het ongelukkige meisje onmiddellijk naar haar toe te sturen, als men haar op „les Peuples" niet wilde houden.

Woedend schreeuwde Julien: — Je moeder is net zoo gek als jij!" Maar hij drong er niet verder op aan.

Veertien dagen na de geboorte van het kind kon Rosalie haar gewone bezigheden weer hervatten. Op een morgen liet Jeanne haar tegenover zich plaats nemen, nam haar beide handen en vroeg haar, terwijl ze haar diep in de oogen keek:

— Kom, beste meid, vertel mij nu alles." Rosalie verbleekte en stamelde:

■— Wat bedoelt u, madame?"

— Wie is de vader van je kind?"

Een nieuwe vlaag van wanhoop maakte zich van het dienstmeisje meester en met kracht trok zij haar handen uit die van Jeanne om er haar gezicht mee te bedekken. Maar Jeanne troostte haar.

— Kom, mijn kind, het is immers zoo heel erg niet. Je bent zwak geweest, maar het is vergeeflijk. Als de vader van het kind met je trouwt, denkt niemand er meer aan en wij kunnen hem, evenals jou, in onzen dienst nemen."

Rosalie kermde, alsof zij gemarteld werd en trachtte eenige keeren tevergeefs de kamer uit te vluchten.

Sluiten