Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jeanne hernam:

i— Ik begrijp wel, dat je je schaamt, maar je ziet immers wel, dat ik niet boos op je ben. Als ik je den naam van je verleider vraag, dan doe ik dat voor je eigen bestwil, omdat ik uit je verdriet begrijp, dat hij je aan je lot overlaat. En dat wil ik verhinderen. Julien zal hem gaan opzoeken, zie je en wij zullen hem dwingen, met je te trouwen. En omdat wij jelui allebei in onzen dienst houden, zullen wij hem eveneens dwingen om goed voor je te zijn."

Nu gelukte het Rosalie, om haar handen uit die van haar meesteres te trekken en uit de kamer te snellen.

Dien avond sprak Jeanne aan het diner tot haar man:

■— Ik heb Rosalie er toe willen brengen, mij den naam van haar verleider te noemen. Het is mij niet gelukt. Probeer jij' het ook eens, opdat wij dien ellendeling kunnen dwingen, met haar te trouwen."

Maar Julien werd boos.

— Och, je weet immers, dat ik geen woord meer over die geschiedenis wil hooren. Jij hebt dat meisje hier willen houden, wees er gelukkig mee, maar val mij niet meer met haar en haar particuliere omstandigheden lastig!"

Sinds de geboorte van het kindje scheen zijn humeur er nog op verergerd te zijn; hij had de gewoonte aangenomen, altijd op schreeuwerigen toon tegen zijn vrouw te spreken, alsof hij woedend was. Zij daarentegen sprak steeds met zachte stem en was altijd toegevend, uit groote vrees twist uit te lokken, maar des nachts lag zij dikwijls in haar eenzame kamer urenlang te huilen. Ondanks zijn voortdurende ontstemdheid scheen Julien toch verliefder op zijn vrouw dan hij sinds hun thuiskomst was geweest.

Kosahe was weldra geheel en al genezen en, hoewel zij schichtig en zenuwachtig bleef, was haar droefheid minder hevig geworden.

Tweemaal nog trachtte Jeanne haar een bekentenis te ontlokken, maar beide keeren vluchtte het meisje met verschrikte oogen uit de nabijheid van haar meesteres.

Sluiten