Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat zij deed, willoos en gebroken, ging zij op een hoog rotsblok zitten, de armen om de opgetrokken knieën geslagen. Haar lange, blonde haren fladderden in den kouden zeewind.

Lang bleef zij daar zitten, een steenen beeld gelijk. De koude deerde haar niet en zij kon zich niet herinneren, wat er met haar gebeurd was.

Maar plotseling keerde 'het bewustzijn terug; helder en duidelijk zag zij alles weer vóór zich en met nieuwe kracht overmeesterde 'haar weer de angst, voor wat nu nog zou komen. O, haar leven was vernietigd, voor haar was geen vreugd meer denkbaar, zij had niets meer van de toekomst te wachten.

Een hopelooze toekomst, een leven van kwelling, van bedrog en wanhoop lag vóór haar. Alleen de dood kon uitkomst brengen.

In de verte klonk een stem:

— Hier is het, dat zijn haar voetstappen; vlug, gauw, hierheen!"

Julien kwam haar zoeken.

Neen, zij wilde hem niet terugzien; nooit!

Beneden, in de diepte hoorde zij het zachte ruischen van de zee. Hoog richtte zij zich op, om den noodlottigen sprong te wagen, die een einde zou maken aan haar wanhopig verdriet en het laatste woord, dat gestameld wordt door den stervende, het woord, dat fluisterend, nauwelijks hoorbaar nog, wordt uitgesproken door den jongen soldaat, die is neergeveld in den strijd, kwam als een zachte ademtocht van de bleeke lippen der jonge vrouw: „Moeder!"

Zij dacht aan petite mère, hoe radeloos ongelukkig zij zou wezen; zij zag haar vader op zijn knieën neergehurkt bij haar lijk en in een enkele seconde voelde zij, hoe groot hun lijden zou zijn.

Zachtkens liet zij zich in de sneeuw neerglijden en toen Julien met père Simon naderden, gevolgd door Marius, die een lantaarn droeg, bood zij geen weerstand meer. Bewegeloos als een doode werd zij door sterke armen opgenomen;

Sluiten