Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gereden: vooraan de gravin met Julien, op eenigen afstand de graaf met Jeanne. Jeanne en haar cavelier spraken als vrienden tezamen, want hun eenvoudige naturen en gelijkgestemde zielen hadden elkaar leeren begrijpen en hoogachten. De beide andéren fluisterden dikwijls, barstten soms in luid schaterlachen uit of keken, elkaar aan, alsof hun oogen dingen te vertellen hadden, waarvan hun lippen nog niet durfden spreken.

Gilberte scheen prikkelbaar te worden en de beide achterblijvenden hoorden soms haar luide, scherpe stem. Glimlachend zei de graaf tot Jeanne: — Ze is vandaag met haar verkeerde been uit bed gestapt, dat vrouwtje van mij."

Op een avond, toen zij op den terugrit naar huis waren en de gravin haar paard telkens prikkelde door het onnoodig de sporen te geven, hoorden zij hoe Julien telkens waarschuwde:

— Pas toch op, hij zal met u op hol gaan!" En haar antwoord:

— Dat gaat u niet aan."

Haar stem klonk hard en onaangenaam over het vlakke land. Het paard steigerde, sloeg met de achterpooten en schuimbekte van woede. Met luide stem riep de graaf:

— Wees toch voorzichtig, Gilberte!"

Maar met de overmoedige en roekelooze houding van een vrouw, die buiten zichzélf is, sloeg zij het paard ongenadig met de zweep tusschen zijn ooren. Met een geweldigen sprong holde het dier, tot het uiterste geprikkeld, over de velden, langs weiden en akkers, zoodat de vochtige vette aardkluiten rondvlogen.

Ontsteld en wanhopig riep Julien: „Madame, madamel"

Een eigenaardig geluid kwam uit de saamgeknepen lippen van den graaf, hij boog zich over den nek van zijn paard en het dier vloog als een pijl uit de boog met zijn berijder weg.

Jeanne zag nog slechts onduidelijk de silhouetten van de jonge vrouw en haar echtgenoot; steeds verder weg, op steeds grooteren afstand. Eindelijk waren zij uit het gezicht verdwenen.

Sluiten