Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vrouw Dentu rolde den gemakkelijken fauteuil naar de andere kamer en Jeanne was alleen. Zij sloot de deur en zette de beide ramen wijd open. De zoele avondlucht stroomde binnen. Het zachte maanlicht bescheen de gazons, die den vorigen dag waren kortgeknipt. De geur van het verschgesneden gras hinderde Jeanne.

Zij keerde naar het bed terug, nam een der koude handen van de doode en keek naar haar moeder. Het gelaat had een kalme vredige uitdrukking en de flikkerde schijn der kaarsen tooverde schaduwen om mond en oogen alsof perire mère zich in haar slaap bewoog.

Allerlei jeugdherinneringen doemden voor Jeanne op.

Zij dacht weer terug aan de bezoeken, die moedertje haar had gebracht in de spreekkamer van het klooster; hoe zij haar dochtertje in een cartonnen doos heerlijke taartjes meebracht.

Zij zag de kleine feestjes uit haar kinderjaren terug, herinnerde zich de liefde en teederheid, die zij steeds van haar ouders had ondervonden. Nauwkeurig wist zij nog, welke rimpeltjes er om de oogen van petite mère kwamen als zij lachte, duidelijk hoorde zij haar zuchten in de oogenblikken van pijn en benauwdheid.

Nu was zij dood, de trouwe moeder, roerloos lag zij daar, nooit zou zij meer met haar kind spreken, nooit meer zou haar gulle lach weerklinken, nooit meer dat lieve „Bonjour, Jeannette," van haar lippen komen. Dood! Men zou haar in een kist leggen en begraven en dan zou alles gedaan zijn. Jeanne zou haar nimmer terug zien. Die lieve vrouw, die zij heel haar leven had gekend, van wie zij had gehouden sinds het besef in haar was ontwaakt; de moeder, aan wie zij al haar lief en leed had kunnen biechten, wier hart altijd geopend was geweest voor de belangen van haar kind, zij had opgehouden te bestaan. Alleen de herinnering aan zooveel moois en goeds zou overblijven . . .

Wanhopig snikkend verborg zij het gelaat in het witte laken, waarop het crucifix was neergelegd. Zij was bang,

Sluiten