Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jeanne was weggeloopen, maar plotseling greep een sterke hand den priester in den nek, zijn driehoekige steek vloog over het gras en de baron sleepte hem naar het hek, waar hij den kleinen, mageren man tot midden op den straatweg wierp.

Toen baron Le Perthuis zich weer omwendde zag hij zijn dochter op de knieën bij het hok üggen. Snikkend legde zij de kleine hondjes in haar schoot.

Hij ging naar haar toe en riep, nog hijgend van inspanning en verontwaardiging:

— Daar heb je hem, dien man met de zwarte soutane! Heb je hem nu leeren kennen?"

De bewoners der boerderij waren komen aanloopen; zwijgend keken zij naar het verminkte beest. Eindelijk sprak moeder Couillard:

— Hoe is het mogelijk, dat men zoo wreed kan zijn!" Jeanne vroeg verlof, de kleine hondjes mee naar huis te

mogen nemen, waar zij wilde trachten ze groot te brengen.

Drie stierven den volgenden dag reeds. Toen haalde père Simon van een zijner vrienden een moederpoes, die de beide overgebleven beestjes gewillig voedde. Toch was na verloop van eenige dagen nog slechts één hondje in leven gebleven, dat een paar weken later gespeend werd en verder door Jeanne met de zuigflesch werd grootgebracht. De baron en zijn dochter hadden het beestje den naam Massacre gegeven.

De pastoor kwam niet terug, maar den volgenden' Zondag uitte hij vanaf den preekstoel zijn verwenschingen en bedreigingen tegen het kasteel. Hij beweerde, dat men verplicht is, de gloeiende tang in de wonde te zetten, waarom hij den baron met de kerkelijke ban dreigde. Verder maakte hij onduidelijke toespelingen op de ongeoorloofde liefdesbetrekking van Julien.

De vicomte was verbitterd van woede, maar hij zweeg uit angst voor een schandaal.

In elke preek verkondigde de pastoor opnieuw, dat hij zich zou weten te wreken en hij voorspelde, dat Gods uur

Sluiten