Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naderden en dat al zijn vijanden verslagen zouden worden.

Julien richtte een eerbiedig schrijven tot den aartsbisschop. Pastoor Tolbiac werd met ongenade bedreigd en hij zweeg.

Men kon hem nu dikwijls ontmoeten op eenzame zwerftochten. Dan liep hij met langzame, zware schreden en zag er opgewonden uit. Elk oogenblik ontdekten Gilberte en Julien, als ze op hun tochten te paard waren, de donkere gedaante van den priester. Nu eens op een afstand, terwijl hij droomerig langs de zee scheen te dwalen, dan weer met zijn gebedenboek in de hand in het een of andere intieme laantje, dat zij juist wilden inslaan. Dan wendden zij den teugel om hem niet te ontmoeten.

De lente was gekomen, en elke nieuwe dag zag de twee minnenden in elkanders armen; op elk plekje, dat zij geschikt vonden op hun tochten, kusten en omhelsden zij elkaar; vertelden zij het elkaar nog eens. weer, dat zij elkaar niet meer konden missen.

Omdat het jonge groen van boomen en struiken nog niet dicht genoeg was om hun een veilig plekje te bieden, hadden zij een houten herdershut op wielen, die sinds den vorigen herfst ongebruikt op den top van een hoogen heuvel stond, uitgekozen als geschikte plaats.

De kleine woning stond daar heel eenzaam bovenop haar hooge wielen op vijf meter van de steile kust, daar, waar de helling naar het dal voert.

Niemand kon hen daar overvallen, want het uitzicht was er vrij en onbelemmerd en de paarden, die aan de boomen van het voertuig werden vastgebonden, wachtten geduldig, totdat hun meesters weer naar buiten kwamen.

Maar op een dag, toen zij weer hun schuilplaatsje verlieten bemerkten zij, half verborgen tusschen het hooge duingras en de wilde planten, pastoor Tolbiac, die rustig zijn gebeden zat te lezen.

„Wij moeten voortaan de paarden in het dal achterlaten," vond Julien, „ze zijn anders op een afstand zichtbaar en Een Leven 10

Sluiten