Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goeden God en de scheppingswonderen; dan luisterde het kind aandachtig. Maar als zij hem zei, dat hij veel, heel veel van den goeden God moest houden, vroeg hij telkens weer: „Waar is God, tante?" Dan wees zij met haar vinger naar den hemel: „Daar boven, Poulet, maar je moogt er niet over spreken." Want zij was bang voor den baron. Op een goeden dag vertelde Paul haar:

— De goede God is overal, maar hij is niet in de kerk 1" Hij had met zijn grootvader gesproken over de geheimzinnige verhalen van tante Lison.

Het kind was tien jaar geworden. Hij was groot en sterk, een baas in het klimmen en klauteren, maar hij wist nog een bitter klein beetje. Zijn lessen verveelden hem, en hij vergat ze onmiddellijk weer. Eiken keer als de baron hem iets langer bij zijn boeken hield, kwam Jeanne tusschenbeiden.

— Laat hem toch spelen, papa. Hij is nog veel te jong om zich zoo in te spannen."

Voor haar was hij nog altijd het kind van een jaar; zij gaf er zich nauwelijks rekenschap van, dat hij liep en sprak als andere kinderen van zijn leeftijd. Zij verkeerde in voortdurende vrees, dat hij zou vallen; dat hij kou vatte; dat hij te warm was of te koud, of zich te veel vermoeide; dat hij meer at dan goed was voor zijn maag of te weinig voor zijn groei.

Op zijn twaalfde jaar deed zich de groote moeilijkheid voor van zijn eerste communie.

Tante Lison bracht haar nicht onder het oog, dat het onverantwoordelijk was om den jongen nog langer zonder godsdienstige opleiding te laten en hem niet te wijzen op ?ijn eerste plichten. Zij haalde alle mogelijke argumenten aan, in hoofdzaak het oordeel van hun kennissen, en Jeanne, besluiteloos als altijd, antwoordde aarzelend, dat hij nog jong genoeg was en dat nog wel een tijdje gewacht kon worden.

Een maand later, toen zij een bezoek bracht bij vicomtesse de Briseville, vroeg die als toevallig;

Sluiten