Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geestelijk was hij nog een kind, dat dom en onnoozel voortleefde tusschen de beide vrouwen en den ouden man, die goed en lief waren, maar niet met hun tijd meegingen.

De baron vond, dat Paul naar een gymnasium moest, maar Jeanne snikte en tante Lison trok zich zwijgend terug in een donker hoekje. En zijn moeder vond:

—1 Hij heeft het immers niet noodig om zooveel te kennen. Wij zullen een buitenmensen, een landedelman van hem maken. Hij zal zijn land bebouwen, zooals zooveel adellijken dat doen; dan zal zijn leven gelukkig zijn en kan hij oud worden in dit huis, waar wij vóór hem hebben geleefd en waar wij zullen sterven. Wat kan men beter verlangen?"

De baron haalde de schouders op.

— En wat zal je hem antwoorden, als hij je op zijn vijfentwintigste jaar verwijt:

— Het is uw schuld, dat ik niets weet, dat er niets van mij is geworden. Dat is de schuld van uw moederlijk egoïsme. Ik ben niet in staat om te werken, onbekwaam om een persoonlijkheid te worden en ik ben niet geschikt voor het eenvoudige leven van vergeten man, waartoe uw domme teederheid mij heeft gedoemd."

Snikkend vroeg zij het oordeel van haar zoon.

— Zeg eens, Paulet, zal jij me er ooit een verwijt van maken, dat ik te veel van je heb gehouden?"

En het groote kind beloofde:

— Neen, mama."

— Zweer je mij dat?" ■— Ja, moeder."

— Je wilt hier blijven, nietwaar?"

— Ja, mama."

Maar op vastberaden toon viel de baron in:

— Jeanne, je hebt het recht niet om over dit leven te beschikken. Wat je doet is laf en bijna misdadig; je offert je kind op aan je eigen geluk."

Tusschen haar tranen door stamelde zij:

— Ik ben zoo ongelukkig geweest zoo ongelukkig!

Sluiten