Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vrouw sloeg de oogleden op, keek Jeanne aan en richtte zich op uit den stoel. En op berispenden toon bromde zij:

— Wat is dat? Bent u opgestaan? Maar u Zult ziek worden op die manier. Wilt u wel eens gauw weer rustig gaan liggen?

Jeanne vroeg: „Wie zijt gij ?"

Maar de vrouw nam haar opnieuw in haar stevige armen en legde haar zacht in bed; zij schudde de kussens op, trok zorgvuldig den deken om Jeannes schouders en kuste toen heur grijze haren, haar vermoeide oogen en bleeke, ingevallen wangen,

— Mijn arme meesteres, mijn lieve mam'zelle Jeanne, kent u mij dan werkelijk niet meer?"

Toen riep Jeanne uit:

— Rosalie, mijn kind, ben jij het?"

Zij sloeg beide armen om den hals der boerin en kuste haar telkens en telkens weer, terwijl de tranen" der beide vrouwen samenvloeiden.

Rosalie wist het eerst haar kalmte terug te krijgen.

— Kom, verstandig zijn", sprak zij, „en geen kou vatten." En weer stopte ze met moederlijke teederheid de dekens

in, totdat Jeanne het bijna te kwaad kreeg van de warmte.

— Waarom ben je hier teruggekomen, Rosalie?" vroeg ze eindelijk,

i— Voor den drommel, kon ik ü dan heel alleen laten?" klonk het verontwaardigd terug.

Jeanne stak haar vroegere dienstbode een hand toe en fluisterde:

— Ik zou je niet herkend hebben, mijn kind, je bent wèl veranderd, maar toch niet zoo erg als ik...."

Rosalie keek naar de bleeke, vervallen vrouw met het witte haar; de vrouw, die zij jong, mooi en frisch had verlaten, en zij antwoordde:

— Ja, het is waar, u bent veranderd, madame Jeanne, maar u moet niet vergeten, dat wij elkaar in vierentwintig jaar niet hebben gezien."

Sluiten