Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rijden, bestuurd door een voerman in wijde, blauwe kiel. In het voorjaar, toen het gras weer groen werd, kwam eiken morgen een meisje in korte rokjes het hek voorbij; zij hoedde twee broodmagere koeien, die langzaam liepen te grazen langs den slootkant. Tegen den avond keerde zij met haar beesten naar huis terug, altijd in dezelfde droomerige stemming, altijd een paar schreden achter haar koeien gaande.

Eiken nacht droomde Jeanne, dat zij nog op les Peuples woonde. Dan zag zij papa en perire mère in den grooten salon en soms ook tante Lise. Zij wandelde gearmd met madame Adelaïde door de lanen, of volgde papa op zijn tochten naar Yport. En eiken morgen bracht nieuwe ontgoochelingen, nieuwe wanhoop.

De gedachte aan Paul verliet haar nooit.

— Wat doet hij nu? Hoe gaat het hem? Zou hij nog wel eens aan mij denken?"

Op haar eenzame wandelingen over de landwegen kwelden dergelijke gedachten haar onophoudelijk; vooral een felle haat tegen de onbekende vrouw, die haar haar jongen had ontroofd, laaide in haar op. Alleen die haat weerhield haar om hem te gaan opzoeken. Zij vreesde, zijn maitresse te zullen ontmoeten, die haar op barschen toon zou vragen:

— Wat komt u hier doen, mevrouw?"

Haar moederlijke trots kwam daartegen in opstand; het gevoel van eigenwaarde der reine vrouw tegenover de lafheid van den man, die zich de ondergeschikte heeft gemaakt van een gewetenloos, minderwaardig schepsel. En zij ging niet.

Zoo maakte het voorjaar plaats voor den zomer en de herfst was reeds gekomen met zijn rijkdom aan weelderige tinten. Het verlangen naar haar zoon, haar jongen, die niets meer van zich liet hooren, was sterker dan ooit geworden. Zou zij nog eens een poging wagen? Misschien was de liefde, die hij nog voor zijn "moeder had behouden, sterker dan de hartstocht, welke hij koesterde voor de vrouw, die zij niet kende . . .

Sluiten