Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en tegen den vijand van buiten. l) En deze Koninklijke prerogatieven worden gewaarborgd in de Grondwet, omdat de onderdanen ze hebben te eerbiedigen en geen schennis ervan mag worden gedoogd.

Maar wederkeerig omschrijft en waarborgt nu ook de Grondwet de rechten des volks. Een natie als de onze is geen wilde horde, geen speelbal van het recht van den sterkste, zij is niet hopeloos prijsgegeven aan willekeur en geweld. Zij heeft in den loop der geschiedenis allerlei rechten en vrijheden verkregen, die wettig zijn gestaafd en niet verkort of geschonden mogen worden. Ver vandaar. Wie regeert is gehouden die rechten en vrijheden te eerbiedigen, is juist door zijn ambt geroepen ze te beschermen. Daarom zijn ze dan ook in de Grondwet geboekt; en wanneer de Vorst bij de troonsbestijging de Grondwet bezweert, dan belooft hij daarmee geen volksrechten ooit te zullen schenden, maar integendeel ze, als Vorst, te zullen handhaven.

Men heeft wel eens gevraagd: waartoe eigenlijk een grondwet? Is een grondwet ten slotte niet een stuk papier; en wanneer een regeerend Vorst, zijn macht misbruikende, dat papier in stukken scheuit en doet alsof het niet bestaat, is de natie daartegen dan niet machteloos? Dit is ongetwijfeld waar. Tegen valschheid en eedbreuk van vorstelijke zijde kan een natie zich van te voren niet wapenen, evenmin als een Vorst tegen opstand en afval van zijn onderdanen. Desniettegenstaande acht de antirevolutionaire partij het hebben van een grondwet een zegen, een voordeel, in de nieuwere tijden op middeneeuwschen dwang en willekeur behaald. GROEN van Prinsterer ging haar daarin voor. En zoolang trouw en waarheid geen ijdele klanken zullen zijn; zoolang de heiligste herinneringen ons* binden aan het Stamhuis van Oranje; zoolang we zien dat bij Oranje zelf de vaderlandsche tradities de teederste snaren doen trillen; zoolang we in de geschiedenis die achter ons ligt, en de wederzijdsche betrekkingen die daarin geworteld zijn, het bestel erkennen van Hem die de volken hun plaats en bestemming aanwijst op aarde, — zoolang achten we de Grondwet eenerzijds een teugel tegen opstand en ontrouw bij de natie, anderzijds tegen willekeur en machtsoverschrijding bij den Vorst. En de zondige zelfzucht in het menschelijk hart maakt het noodig dat deze wederzijdsche rechten zooals ze in de Grondwet omschreven staan, worden bezworen, dat is met een eed bekrachtigd.

') Rom. 13 : 1—6; Spreuken 8 : 15 en 16.

Sluiten