Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lost. Uit dit oogpunt mocht men met blijdschap het zoogenaamde „Vredespaleis", en dat nog wel op onzen eigen bodem, zien verrijzen, en mag men dit als een zichtbaar bewijs aanmerken, dat de beschaafde volken het ijdel wapengekletter beginnen moê te worden en de idee van het internationale Scheidsgerecht beginnen te omhelzen. De onderlinge overeenkomsten door sommige kleinere staten reeds getroffen, zijn van het veldwinnen van een beteren geest het voorteeken, en voor de grootere een voorbeeld.

Mag men hopen dat langs dezen weg veel kostbaar wapenvertoon en veel noodeloos bloedvergieten zal worden voorkomen, de mogelijkheid mag toch niet worden ontkend van onrechtvaardige gewapende aanvallen op de onafhankelijkheid van ons land. Want de beschaafde natiën vormen geen wereld van engelen, maar herbergen evenals de gewone menschen den. prikkel van het zondig egoïsme in haar binnenste, dat ze zou kunnen verleiden om de begeerige hand te slaan aan het eigendom van den naaste. Dit gevaar legt ons den plicht tot zelfverdediging op. Den plicht. Het is noodig, tegenover de sterke strooming van het antimilitarisme, en van een valsche vredesbeweging die door de maatschappij gaat, hierop bijzonderen nadruk te leggen. De antimilitaristen stellen het voor alsof het hebben van een leger en een vloot een uitvloeisel is van ijdele gloriezucht; en de mannen der vredesbeweging, als ware het egoïsme dat tot onrechtvaardige oorlogen drijft, door de macht der beschaving zoo goed als bezworen. De alledaagsche werkelijkheid is in vierkanten strijd met zulke utopieën. Geen eeuw heeft zooveel onrechtvaardige oorlogen zien voeren, als de Negentiende, die geroemd werd als de eeuw des vredes bij uitnemendheid. De plicht tot verdediging zal blijven bestaan voor ieder volk dat zijn land en zijn historie liefheeft. Voor ons antirevolutionairen rust die plicht op de overtuiging, dat God aan elke natie haar woonplaats en haar bestemming tusschen de andere natiën heeft beschikt1), en als eerste artikel in haar ongeschreven grondwet het gebod gegeven heeft: „Vreest God, eert den Koning", In de erkenning van het koningschap, of, om het begrip in zijn algemeenheid te nemen, van de Overheid als zoodanig, ligt tegelijk de aanwijzing van haar taak. De roeping der Overheid toch is te regeeren; en dit regeeren sluit in zich de drieledige taak van bestuur, wetgeving en bescherming. Gelooven we dus dat, naar

') Zie bijvoorbeeld Handelingen 17 : 26.

Sluiten