Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle volgende voortgevloeid zijn; zonder welke geen andere kunnen bestaan. De bescherming van het menschelijk leven is de tweede Goddelijke ordinantie voor de samenleving. Omdat de mensch geschapen is naar het beeld Gods, en de moordenaar in zijn evenmensch dus het beeld Gods aanrandt, daarom heeft God geboden: „Gij zult niet doodslaan" en: „Wie des menschen bloed vergiet, diens bloed zal door den mensch vergoten worden; want God heeft den mensch naar Zijn beeld geschapen" 1). Men zegt wel, ter bestrijding van de doodstraf, dat de eene mensch het recht niet heeft den ander het leven te benemen. Maar men vergeet dat de moordenaar dat juist gedaan heeft en daarom valt in de termen van het goddelijk strafgebod. Men keert dus de verhouding om: de moordenaar wordt de onschuldige, de rechter die het recht handhaaft, de schuldige. Men heeft gezien, hoe zelfs het frivole Fransche volk gevoelt, dat het noodig is het menschelijk leven tegen de moordlust te beschermen; en het is merkwaardig dat onder de beschaafde landen Nederland nog altijd een der weinige is, die de doodstraf hebben afgeschaft. Reeds GOETHE zei, dat men haar wel afschaffen kan, maar dat men zou moeten eindigen met haar eenvoudig weer in te voeren.

Ten tweede komt tegenwoordig het recht van persoonlijk bezit in het geding. Dit recht ligt gegrond in de goddelijke ordinantie van het Achtste Gebod: „Gij zult niet stelen". Stelen onderstelt een eigendom, een bezit; want stelen is niets anders dan eens anders eigendom zich toeeigenen. Overgezet in zijn positieve beteekenis luidt dus dit.gebod: „Ik, God, ken den mensch een zeker bezit toe, dat gij, o mensch, uwen naaste niet zult ontnemen". Het eigendomsrecht moet dus geëerbiedigd en de schending ervan door den rechter gewroken worden.

Hier tegenover staat de Socialistische opvatting en die der Christen-Socialisten. De socialist ontkent niet het eigendomsrecht, maar hij kent het aan de menschheid in haar geheel, aan „de gemeenschap", niet aan den persoon des menschen toe. Deze opvatting beveelt zich dikwijls aan door een groote mate van goedgezindheid jegens den naaste, of om nauwkeurig te spreken, jegens alle menschen. Men wil alle menschen laten deelen in het goede dat de aarde oplevert. Dit stelsel verliest echter voor wie doordenkt zijn aantrekkelijkheid, omdat de menschelijke persoon-

') Exod. 20 : 13 en Gen. 9 : 6.

Sluiten