Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 4.

De Overheid, zoo leert ze, is als dienaresse Gods, gehouden tot verheerlijking van Gods Naam, en behoort diensvolgens: a. uit bestuur en wetgeving alles te verwijderen, wat den vrijen invloed van het Evangelie op ons volksleven belemmert; b. zichzelve, als daartoe in volstrekten zin onbevoegd, te onthouden van elke rechtstreeksche bemoeiing met de godsdienstige ontwikkeling der natie; c. alle kerken of godsdienstige vereenigingen, en voorts alle burgers, onverschillig welke hunne belijdenis aangaande de eeuwige dingen zij, te behandelen op voet van gelijkheid; en d. in de consciëntie, voor zoover die het vermoeden van achtbaarheid niet mist, en haar uitspraak met name geen afbreuk doet aan de handhaving van 's lands onafhankelijkheid, een grens te erkennen voor haar macht.

Art. 5.

Zij belijdt, dat de Overheid regeert bij de gratie Gods, en, hieraan hare regeeringsmacht ontleenende, het recht heeft, den eed te vragen; en ter vrijlating van den dag des Heeren, en alzoo mede in 's volks belang, zelve zooveel doenlijk in al haar vertakkingen op dien dag behoort te rusten, de Zondagswet in gelijke richting behoort te herzien, en zoo bizonderlijk in haar arbeidswetgeving als in haar concessiën geheelen of gedeeltelijken stilstand van zaken voor dien dag heeft te bedingen.

Art. 6.

Op zichzelf geen enkelen staatsvorm den eenig bruikbaren keurende, erkent zij het aan de grondwet gebonden koningschap, gelijk zich dit ten onzent geleidelijk uit de Republiek der zestiende eeuw heeft ontwikkeld, als den voor ons meest geschikten regeeringsvorm.

Art. 7.

De grondwet, gelijk die in 1848 gewijzigd is, aanvaardt zij als

Sluiten